Mevrouw Lydia van Duyn – Schaap

“Ik dacht; daar moet ik tussen zien te komen!”

Mevrouw Lydia van Duyn – Schaap. 91 Jaar oud.

Ze krijgt last van wat ongemakken, zoals ze dat zelf omschrijft. En daarbij; veel komt nu neer op de schouders van haar dochter en dat wil ze niet. “Als je denkt dat je meer zorg nodig hebt, dan moet je gaan kijken waar je dit kunt krijgen, anders gaat iemand anders het voor je bepalen,” vertelt ze me krachtig. En zo was het mevrouw zelf die op zoek ging en het initiatief nam tot dagbesteding. Over de Herberg hoorde ze fijne verhalen. “Vraag me geen namen, want ik weet niet meer precies van wie, maar ik dacht; daar moet ik tussen zien te komen, want waar het leuk is daar wil ik zijn!” Mevrouw woont nog op zichzelf. “En ik kook bijna alle dagen zelf, aan koken heb ik nooit een hekel gehad.” Behalve als ze op de dagbesteding van de Herberg is. “Daar eten we altijd al wat warms voor de lunch.”

“Met de bus door Katwijk en Rijnsburg, zo zie ik ook nog eens wat!”
“Ik word rond 9.00 uur opgehaald. We halen dan ook nog andere gasten op. Een tour door Katwijk en Rijnsburg. Zo zie ik nog eens wat! Opeens rij ik weer langs plekken waar ik geen jaren ben geweest”, zegt ze met een lach.

“Als je degene die voor je zorgt wat kunt verlichten en er zelf ook nog een beetje plezier in hebt, is dat toch alleen maar fijn?!”

De stap naar dagbesteding is vaak moeilijk voor mensen. Hoe kijkt u daar tegenaan?
“Als (oude) mensen een bepaald idee in hun hoofd hebben, dan krijg je dat er vaak maar moeilijk uit. Ze denken vaak aan iets negatiefs. Mensen in een groep die er apathisch bijzitten. ‘Daar ga ik niet tussen zitten, zeggen ze dan.’ Terwijl dat beeld echt niet klopt.”
Misschien zou een open dag een idee zijn, oppert mevrouw. “Dat mensen zelf zien hoe het hier is. De sfeer kunnen proeven. Bovendien, als je degene die voor je zorgt wat kunt verlichten en er zelf ook nog een beetje plezier in hebt, is dat toch alleen maar fijn?!”

Over ouder worden
“Je moet veel uit handen geven, dat valt niet mee. Oud worden willen we allemaal. Oud zijn is toch een beetje anders.” Ze is geboren en getogen Katwijk-se. In de Voorstraat, aan het einde van de slob, helemaal in de hoek. Na de lagere school gaat mevrouw naar de huishoudschool. Totdat de oorlog uitbreekt. “Na vijf jaar oorlog was je volwassen, ging je niet meer terug naar school.” Haar vader zat op de vaart en heeft ondergedoken gezeten. “Wij verhuisde naar mijn tante, in een zomerhuisje achter het huis aan de Sluisweg. Daar hebben we de hele oorlog gezeten.”

Ze trouwt met een rasechte Katwijk-er. Hij zat op de koopvaardij en was zodoende vaak van huis. Toen hij van de vaart kwam is hij o.a. schilder geworden. “Aan boord werd ook veel geschilderd dus hij had ervaring.” Samen krijgen ze drie kinderen. Twee jongens en een meisje.

“Het was spertijd en mijn buurmeisje en ik speelde buiten. Op een keer waren we te laat en werden we opgepakt.”

Mevrouw vertelt over haar herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. “Het was een hele enge tijd. Ik weet nog goed dat er een spertijd was (een avondklok die liep van 24 uur ’s nachts tot 4 uur in de ochtend, red redactie). Het was zomer en ik speelde buiten met een buurmeisje. Ergens vonden we het wel spannend om nèt op tijd naar binnen te gaan. Maar op een keer waren we te laat en werden we opgepakt. Zaten we opgesloten op het oude politiebureau van Katwijk, onder in de kelder tussen de volwassen kerels. Mijn moeder kon ons niet direct komen halen, want ze mocht natuurlijk niet naar buiten. Eenmaal opgehaald, het buurmeisje en ik, was het ook nog heel eng om over straat te gaan, want er werd gewoon op je geschoten. Het is een goede les geweest, want ik heb het nooit meer gedaan.”

“Dan liep ik met mijn tante naar Panbos voor stookhout. Ook dat is oorlog.”
Gevaarlijk, want, dat werd gezien als stelen. Houthakken in Panbos. “Ik weet nog dat ik thuiskwam en mijn moeder een teil met warm water voor me had klaarstaan. Het was immers winter. Ik heb de hele boel bij elkaar geschreeuwd van de kramp. Ik vergeet het nooit meer. Ook dat is oorlog.”

Er was ook geen eten. Een klein stukje brood moest je met velen delen. Eens per week kregen we bij de bakker wat te eten. Hij was ook de baas van de gaarkeuken. Veel mensen zijn gaan hamsteren na de oorlog. Dat raak je niet meer snel kwijt. Ik zou ook nooit meer eten weggooien. Als je vandaag de dag weleens kijkt, er is zoveel luxe en dat gun ik de mensen hoor, maar als ik dan zie wat mensen weggooien, dan doet me dat wel zeer.”

Het leven kan een harde les zijn.
“Wanneer je zoiets meemaakt kun je ook wel wat meer hebben in je verdere leven. Je jeugd is weg, het kind zijn is overgeslagen. Het meest nodige is er niet. De bevrijding herinnert ze zich dan ook als een groot feest. Iets dat je helemaal niet (meer) kende. Feest!”

“Ik ben nooit pessimistisch geweest. Geniet van de dagen die je hebt en de dingen die je kunt doen. Straks denk je, had ik maar… Als het kan, doe het dan! Dat is hoe mijn man en ik altijd geleefd hebben.”

Over de Herberg
“De sfeer onder elkaar. Kameraadschap. Het groepsgevoel. Het kluttert nergens, dat je er dan niet tussenkomt bedoel ik, dat is hier niet. Er is ook weinig verschil in omgang tussen leiding en mensen. Je wordt hier niet kinderachtig behandelt.” En dat vindt mevrouw heel belangrijk. “Als iets niet meer gaat, dan vraag ik dat zelf wel. En er is nergens dwang bij. Dat is fijn, want als ik dat voel ga ik op de rem staan. Je kunt meedoen met van alles, maar het hoeft niet.”

Ze stapt nog even weer terug in de tijd. De wollendekenfabriek aan de Hogewoerd.
Na de oorlog gaat ze aan het werk. In Leiden. Bij de wollendekenfabriek*. “Als je daar werkte kon je per drie maanden wol kopen. Er was in die tijd niks. ‘s Ochtends 7.00 uur met de Blauwe Tram naar Hogerijndijk, zaten we allemaal te pennen, want het was dik een half uur reizen.”

Ze werkt er een half jaar als ze plots op kantoor wordt geroepen. “Ik dacht, wat heb ik gedaan? Maar meneer Roest (directeur) zei; ‘we hebben een kantinejuffrouw nodig op locatie Levendaal in Leiden.’ Dat leek hem wel iets voor mij. Nou toen was ik direct weg! Veel leuker dan achter de machine.” *De fabriek van de ‘Leidsche Textielfabrieken Gebroeders Van Wijk & Co N.V.’ heeft bestaan van 1795-1957. Men fabriceerde er dekens, breigaren en sokken, red redactie).

Als kantinejuffrouw werkt ze zeven jaar. Dan trouwt ze. “Tja, dan werd je automatisch ontslagen, als getrouwde vrouw mocht je niet werken, je wist niet anders.”

“Mijn dochter is verpleegster, dat had ik ook wel gewild. Maar wat er niet is, dat mis je ook niet.”

Vergeleken met vroeger ervaart ze nu veel welvaart. “Je moest de hele week hard werken en dan had je nog niks. Alles ging op aan eten of kleding. Mijn dochter is verpleegster, dat had ik ook wel gewild. Maar wat er niet is dat mis je ook niet. Je kon er ook niet bij. Je kwam uit de oorlog. Maar we hebben geen slechte tijd gehad. We gingen nooit op vakantie, maar hadden wel de zee en het strand. Pas toen de jongens zo rond de twaalf jaar waren ging we voor het eerst eens echt op vakantie.”

Naar zee gaan lukt helaas niet meer.
“Maar, – als iets niet kan, dan kan het niet. Doorgaan en naar iets kijken dat wel kan! Zo zonde van je tijd anders. Ik brei veel, lees en kijk graag televisie. En twee dagen in de week de Herberg, daar heb ik genoeg reuring!”

“Wat een kwek ben ik hè!?”

Mart Verdoes

“In het begin dacht ik – moet dat dan? – Het proces heeft een bepaalde gang nodig.Om dat door te gaan; snap je?” Lasagne of een boterham met eigengemaakte eiersalade?

Lees meer